Herstel tot leven
Ook al werd Gods Zoon door zijn vijanden gedood, toch verloor hij nimmer zijn recht op volmaakt menselijk leven, want hij had zijn rechtschapenheid jegens God bewaard. Maar hoe kon Jezus, daar hij nu dood in het graf lag, dit kostbare recht op menselijk leven ten behoeve van de mensheid aanwenden? Hiertoe verrichtte Jehovah nog een wonder, het eerste van dit soort. Op de derde dag dat Jezus in het graf lag, wekte Jehovah hem uit de dood op als een geestelijk, onsterfelijk schepsel (Romeinen 6:9; 1 Petrus 3:18). Ten einde een hechte basis te verschaffen voor geloof in de opstanding verscheen Jezus bij verschillende gelegenheden in gematerialiseerde lichamen aan zijn discipelen, bij één gelegenheid aan meer dan vijfhonderd van hen. Geen van deze discipelen, noch de apostel Paulus, die later door een verschijning van de verheerlijkte Jezus werd verblind, had enige reden om het wonder van zijn opstanding in twijfel te trekken. — 1 Korinthiërs 15:3-8; Handelingen 9:1-9.
Na veertig dagen steeg de uit de doden opgewekte Jezus naar Gods eigen tegenwoordigheid in de hemel op om daar de waarde van zijn volmaakte menselijke slachtoffer voor de verlossing van de mensheid aan te bieden. „Maar deze heeft voor altijd één slachtoffer voor zonden gebracht en is aan de rechterhand van God gaan zitten, van die tijd af wachtend totdat zijn vijanden tot een voetbank voor zijn voeten gesteld zouden worden” (Hebreeën 10:12, 13). De eersten die door deze losprijs losgekocht worden, zijn een „kleine kudde” van getrouwe christenen „die de Christus toebehoren” (Lukas 12:32; 1 Korinthiërs 15:22, 23). Zij zijn „uit het midden van de mensen gekocht” en worden in de opstanding derhalve geestelijke metgezellen van Christus in de hemel (Openbaring 14:1-5). Hoe staat het echter met de overgrote meerderheid van de mensen die thans dood in hun graf liggen? Toen Jezus hier op aarde was, zei hij dat zijn Vader hem autoriteit had gegeven om te oordelen en om leven te geven. Hij voegde eraan toe: „Verwondert u hierover niet, want het uur komt waarin allen die in de herinneringsgraven zijn, zijn stem zullen horen en te voorschijn zullen komen, . . . tot een opstanding” (Johannes 5:26-29). Hij zal hen weer tot leven brengen op de Paradijsaarde.

Merk op dat Jezus zegt: „Verwondert u hierover niet.” Alles goed en wel, maar hoe kan iemand die reeds lang gestorven is, van de dood worden verlost en tot leven worden teruggebracht? Is zijn lichaam niet tot het stof teruggekeerd? Sommige van de deeltjes waaruit dat lichaam bestond, zijn misschien zelfs door andere levende dingen, zoals planten en dieren, geassimileerd. Opstanding betekent echter niet dat dezelfde scheikundige bestanddelen weer worden bijeengebracht. Opstanding houdt in dat God dezelfde persoon met dezelfde persoonlijkheid herschept. Hij brengt uit de aardse elementen een nieuw lichaam voort, en in dat lichaam plaatst hij dezelfde eigenschappen, dezelfde kenmerkende hoedanigheden, hetzelfde geheugen, hetzelfde levenspatroon dat de persoon had opgebouwd voordat hij stierf.
Misschien hebt u meegemaakt dat uw huis waar u zeer aan gehecht was, afbrandde. U zou hetzelfde huis echter gemakkelijk kunnen laten herbouwen, want u hebt het patroon van alle geliefkoosde details zeer duidelijk in uw geheugen. Dan kan God, de Formeerder van het geheugen, stellig mensen herscheppen die hij in zijn herinnering heeft bewaard omdat hij hen liefhad (Jesaja 64:8). Daarom gebruikt de bijbel de uitdrukking „herinneringsgraven”. Wanneer Gods bestemde tijd aanbreekt om de doden weer levend te maken, zal hij dat wonder verrichten, evenals hij een wonder verrichtte toen hij de eerste mens schiep, alleen zal hij het wonder ditmaal vele keren herhalen. — Genesis 2:7; Handelingen 24:15.
God zal de mensheid weer tot leven brengen met het vooruitzicht nooit meer door de dood van de aarde te hoeven verdwijnen. Maar hoe is eeuwig leven op aarde mogelijk? Het is mogelijk en het staat vast, omdat het in de goddelijke wil en het goddelijke voornemen besloten ligt (Johannes 6:37-40; Matthéüs 6:10). De enige reden waarom de mens thans door de dood van de aarde wordt weggenomen, is dat hij van Adam de dood heeft overgeërfd. Beschouwen wij echter de oneindige verscheidenheid van schitterende dingen op aarde die bedoeld waren om de mens ervan te laten genieten, dan is een beperkte levensduur van nog geen honderd jaar veel en veel te kort! Toen God deze aarde aan de mensenkinderen gaf, was het zijn voornemen dat de mens zou blijven leven om niet slechts honderd jaar of zelfs duizend jaar, maar om eeuwig van de pracht van Zijn schepping te genieten! — Psalm 115:16; 133:3.

Copyright © 2005 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania. All rights reserved.
|
|