Bevrijding van de dood
Sedert de vroegste tijden hebben Gods profeten nooit hun vertrouwen in ’s mensen onsterfelijkheid uitgesproken, maar altijd uiting gegeven aan de hoop dat God hen van de dood zou „verlossen” (Hosea 13:14). Maar hoe kon de mens uit de ketenen van de dood worden bevrijd? Jehovah’s volmaakte gerechtigheid eiste „ziel voor ziel, oog voor oog, tand voor tand” (Deuteronomium 19:21). Aangezien Adam door zijn opzettelijke ongehoorzaamheid aan God, waardoor hij het volmaakte menselijke leven verbeurde, voor de gehele mensheid de erfelijke dood teweegbracht, moest voor Adam in de plaats een ander volmaakt mens met zijn volmaakte leven betalen om terug te kopen wat Adam had verloren.
Het rechtvaardige beginsel om ’gelijk met gelijk’ terug te betalen, is in de hele geschiedenis alom aanvaard. De uitdrukking die algemeen wordt gebruikt, is „een losprijs betalen”. Wat is een losprijs? Het is „een prijs die wordt betaald om een persoon of een zaak terug te krijgen van iemand die deze persoon of zaak gevangen houdt. Daarom wordt er van krijgsgevangenen of slaven gezegd dat zij worden losgekocht wanneer zij worden bevrijd in ruil voor een waardevolle vergoeding. . . . Datgene wat in de plaats of in ruil wordt gegeven als compensatie voor de persoon of de zaak, is de losprijs”.* Sinds Adam heeft gezondigd, zijn alle mensen te vergelijken met krijgsgevangenen of slaven, geketend door onvolmaaktheid en de dood. Om hen te bevrijden, moest er een losprijs worden verschaft. Om te voorkomen dat er vroeg of laat een meningsverschil zou rijzen omtrent de billijkheid van de losprijs, zou het noodzakelijk zijn één volmaakt menselijk leven te offeren, het precieze equivalent van Adam.
 |
Jezus was het equivalent van de volmaakte mens Adam
|
 |
|
Waar kon zulk een volmaakt menselijk leven echter worden gevonden? Alle mensen zijn als afstammelingen van de onvolmaakte Adam onvolmaakt geboren. „Niet één van hen kan zelfs ook maar een broeder op enigerlei wijze loskopen, noch God een losprijs voor hem geven” (Psalm 49:7). Ten einde in deze behoefte te voorzien, trof Jehovah, gedreven door zijn diepe liefde jegens de mensheid, er regelingen voor dat zijn dierbare ’eerstgeboren’ Zoon het noodzakelijke slachtoffer zou worden. Hij bracht het volmaakte leven van deze geestenzoon, het Woord, over naar de schoot van een joodse maagd, Maria. De jonge vrouw werd zwanger en baarde te bestemder tijd een zoon, die „Jezus” werd genoemd (Matthéüs 1:18-25). De Schepper van het leven moet logischerwijs in staat zijn zulk een schitterend wonder te verrichten.
Jezus groeide op tot een volwassen man, bood zich aan Jehovah aan en werd gedoopt. Vervolgens gaf God hem de opdracht Zijn wil te doen (Matthéüs 3:13, 16, 17). Aangezien Jezus’ aardse leven uit de hemel afkomstig was en hij volmaakt was, kon hij dat volmaakte menselijke leven offeren en het gebruiken om de mensheid van de dood te bevrijden (Romeinen 6:23; 5:18, 19). Zoals hij zei: „Ik ben gekomen opdat zij leven zouden hebben en het in overvloed zouden hebben.” „Niemand heeft grotere liefde dan deze, dat iemand afstand doet van zijn ziel ten behoeve van zijn vrienden” (Johannes 10:10; 15:13). Toen Satan Jezus aan een martelpaal ter dood liet brengen, onderwierp Jezus zich aan deze wrede dood omdat hij wist dat mensen die geloof zouden oefenen, door middel van deze losprijsvoorziening leven zouden verwerven. — Matthéüs 20:28; 1 Timótheüs 2:5, 6.
* Cyclopedia of Biblical, Theological, and Ecclesiastical Literature, door J. McClintock en J. Strong, Deel 8, bladzijde 908.

Copyright © 2005 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania. All rights reserved.
|
|