De dood — een vijand
God had te kennen gegeven wat de straf voor ongehoorzaamheid zou zijn — de dood. Toen Jehovah het oordeel over de eerste vrouw uitsprak, zei hij: „Ik zal de smart van uw zwangerschap zeer doen toenemen; met barensweeën zult gij kinderen voortbrengen, en uw sterke begeerte zal naar uw man uitgaan, en hij zal over u heersen.” Tot de man Adam zei hij: „In het zweet van uw aangezicht zult gij brood eten, totdat gij tot de aardbodem terugkeert, want daaruit werdt gij genomen. Want stof zijt gij en tot stof zult gij terugkeren” (Genesis 3:16-19). Het ongehoorzame paar werd uit het paradijs van geluk verdreven naar het onbebouwde gedeelte van de aarde. Na verloop van tijd stierven zij. — Genesis 5:5.
Pas toen Adam en Eva niet meer aan de maatstaf van volmaaktheid voldeden, begonnen zij kinderen voort te brengen. Alle thans levende mensen zijn als hun nakomelingen dan ook onvolmaakt, en daarom sterven allen. Een van de bijbelschrijvers verklaart het met de volgende woorden: „Door bemiddeling van één mens [is] de zonde de wereld . . . binnengekomen en door middel van de zonde de dood, en aldus [heeft] de dood zich tot alle mensen . . . uitgebreid omdat zij allen gezondigd hadden.” Wat is deze „zonde”? Het niet voldoen aan de maatstaf van volmaaktheid of volkomenheid. Jehovah God keurt iets wat onvolmaakt is niet goed noch houdt hij het in het leven. Aangezien alle mensen zonde en onvolmaaktheid van de eerste mens, Adam, hebben geërfd, heeft de dood „als koning [over hen] geregeerd” (Romeinen 5:12, 14). De gevallen mens sterft, net als de dieren. — Prediker 3:19-21.

 |
Wat is deze „dood”? Dood is het tegenovergestelde van leven. God had de mens in het vooruitzicht gesteld dat hij eindeloos leven op aarde zou genieten indien hij gehoorzaam was. Hij werd echter ongehoorzaam en de straf was de dood, de toestand waarin men geen bewustzijn bezit en niet bestaat. God had er niets over gezegd dat hij het leven van de mens, ingeval deze ongehoorzaam werd en stierf, naar een geestenrijk of naar een vurige „hel” zou overbrengen. Hij had de mens gewaarschuwd met de woorden: „Gij [zult] beslist sterven.” De Duivel, die mensenmoordenaar, had gelogen door te zeggen: „Gij zult volstrekt niet sterven” (Genesis 2:17; 3:4; Johannes 8:44). Wat alle mensen van Adam hebben geërfd, is de dood — de mens keert terug tot het stof. — Prediker 9:5, 10; Psalm 115:17; 146:4.
Is er voor de mens die sterft dan geen toekomst? Er is een schitterende toekomst! De bijbel laat zien dat Gods voornemen met betrekking tot een paradijsaarde voor de gehele mensheid, met inbegrip van hen die thans dood zijn, nimmer zal falen. Jehovah zegt: „De hemel is mijn troon en de aarde mijn voetbank.” „De plaats van mijn voeten zal ik heerlijk maken” (Jesaja 66:1; 60:13). Uit de overvloed van zijn liefde zond Jehovah zijn Zoon, het Woord, naar deze aarde opdat de mensenwereld door bemiddeling van hem leven zou kunnen verwerven (Johannes 3:16; 1 Johannes 4:9). Er zijn drie belangrijke dingen die wij nu moeten bespreken en die Jehovah door bemiddeling van zijn Zoon tot stand brengt, namelijk: (1) dat er in bevrijding uit de macht van de dood wordt voorzien; (2) dat de doden werkelijk weer zullen leven; en (3) dat er over de gehele mensheid een volmaakte regering wordt opgericht.

Copyright © 2005 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania. All rights reserved.
|
|