De God van de bijbel
Zoals sommige mensen zich spottend over de bijbel uitlaten, bespotten anderen het idee dat er een Almachtige God bestaat (2 Petrus 3:3-7). Zij zeggen: ’Hoe kan ik in God geloven aangezien ik hem niet kan zien? Zijn er bewijzen dat er werkelijk een onzichtbare Schepper bestaat, die hoger is dan de mens? Woont God niet in alles?’ Anderen zeggen: ’Er is geen God of Boeddha.’ Toch wordt in de bijbel duidelijk gemaakt dat, zoals wij allen leven hebben ontvangen door bemiddeling van een aardse vader, onze oorspronkelijke voorouders leven hebben ontvangen van een hemelse Vader of Schepper, wiens persoonlijke naam Jehovah is. — Psalm 83:18; 100:3; Jesaja 12:2; 26:4.
Jehovah heeft zich op twee opmerkelijke manieren aan de mensheid geopenbaard. De voornaamste manier is door middel van de bijbel, waarin zijn waarheid en zijn eeuwige voornemens worden bekendgemaakt (Johannes 17:17; 1 Petrus 1:24, 25). De andere manier is door middel van zijn schepping. Door de wonderbaarlijke dingen om hen heen gade te slaan, zijn veel mensen gaan beseffen dat er een Schepper-God moet bestaan, wiens grootse persoonlijkheid in zijn werken wordt weerspiegeld. — Openbaring 15:3, 4.
Jehovah God is de Auteur van de bijbel. Hij is de Grote Geest, die van eeuwigheid tot eeuwigheid bestaat (Johannes 4:24; Psalm 90:1, 2). Zijn naam „Jehovah” vestigt de aandacht op zijn voornemen met betrekking tot zijn schepselen. Het ligt in zijn voornemen besloten die grote naam te rechtvaardigen door de goddelozen te verdelgen en degenen die hem liefhebben te bevrijden, zodat zij op een paradijsaarde kunnen leven (Exodus 6:2-8; Jesaja 35:1, 2). Daar hij de Almachtige God is, bezit hij de macht hiertoe. Als de Schepper van het gehele universum staat hij ver boven de gewone nationale goden en afgoden. — Jesaja 42:5, 8; Psalm 115:1, 4-8.
In de afgelopen eeuwen hebben geleerden veel tijd besteed aan het bestuderen van de scheppingswerken. Tot welke conclusie zijn zij gekomen? Een van de pioniers op het gebied van de elektriciteit, de bekende Britse natuurkundige Lord Kelvin, verklaarde: „Ik geloof dat hoe grondiger de wetenschap wordt bestudeerd, hoe meer ze ons verwijdert van alles wat met atheïsme vergeleken kan worden.” De in Europa geboren geleerde Albert Einstein gaf, hoewel hij als een atheïst werd beschouwd, het volgende toe: „Het is voor mij genoeg . . . de wonderbaarlijke structuur van het universum, dat wij vaag kunnen waarnemen, te overpeinzen, en nederig te trachten zelfs maar een oneindig klein gedeelte te begrijpen van de intelligentie die in de natuur openbaar is.” De Amerikaanse geleerde en Nobelprijswinnaar Arthur Holly Compton zei: „Een zich ordelijk ontplooiend universum bevestigt de waarheid van de meest majestueuze verklaring die ooit is geuit — ’In het begin schiep God’.” Hij haalde de openingswoorden van de bijbel aan.
Heersers van machtige natiën gaan wellicht prat op hun intelligentie en hun wetenschappelijke prestaties bij het veroveren van de ruimte. Maar hoe onbeduidend zijn hun ruimtesatellieten in vergelijking met de maan, die een baan om de aarde beschrijft, en de planeten, die een baan om de zon beschrijven! Hoe nietig zijn deze sterfelijke mensen met hun prestaties vergeleken bij Jehovah die miljarden hemelse sterrenstelsels, elk met miljarden zonnen zoals de onze, heeft geschapen en ze voor onmetelijke tijd in de ruimte heeft gegroepeerd en een plaats heeft toegewezen! (Psalm 19:1, 2; Job 26:7, 14) Geen wonder dat Jehovah de mensen beschouwt als slechts sprinkhanen, en machtige natiën „als niets”. — Jesaja 40:13-18, 22.
Woont u in een huis? Waarschijnlijk hebt u het huis niet zelf gebouwd en weet u ook niet wie het wel heeft gedaan. Dat u de bouwer niet kent, weerhoudt u er echter niet van de waarheid te aanvaarden dat de een of andere intelligente persoon het heeft gebouwd. De redenatie dat het huis zichzelf heeft gebouwd, zou een heel dwaze indruk maken! Is het dan niet redelijk te concluderen dat er een Intelligente Schepper moet zijn, aangezien er voor de constructie van het grote universum en alles wat zich daarin bevindt, een oneindig veel grotere intelligentie nodig is geweest? Werkelijk, alleen een dwaas zou in zijn hart zeggen: „Er is geen Jehovah.” — Psalm 14:1; Hebreeën 3:4.
De schitterende wonderen om ons heen — de bloemen, de vogels, de dieren, de wonderbaarlijke schepping die mens wordt genoemd, de wonderen van leven en geboorte — deze alle getuigen van het onzichtbare Meester-Intellect dat ze heeft voortgebracht (Romeinen 1:20). Voor intelligentie is verstand nodig, en verstand is aan een persoon gebonden. De opperste intelligentie zetelt in de Opperste Persoon, de Schepper van al wat leeft, ja, de Bron van het leven (Psalm 36:9). De Schepper is beslist alle lof en verering waard. — Psalm 104:24; Openbaring 4:11.

Het geloof in God dat sommige mensen bezaten, is door de bittere ervaringen van de Tweede Wereldoorlog geschokt. In die tijd riep men in elk land zijn eigen katholieke, protestantse of oosterse „God” aan. Zou men kunnen zeggen dat „God” enkele van deze natiën de overwinning schonk en dat hij andere de nederlaag liet lijden? De bijbel maakt duidelijk dat geen van deze natiën de ware God aanriep. Jehovah God, de Schepper van hemel en aarde, is niet verantwoordelijk voor de verwarring en oorlogen onder de natiën (1 Korinthiërs 14:33). Zijn gedachten zijn veel hoger dan die van de politieke en militaristische natiën van deze aarde (Jesaja 55:8, 9). Evenzo hebben ook de ware religie en de aanbidding van Jehovah niets met de oorlogen van de natiën uit te staan. Jehovah is ver boven de nationalistische goden verheven. Hij is uniek als de God van vredelievende mannen en vrouwen in alle natiën. Zoals de bijbel zegt: „God [is] niet partijdig . . ., maar in elke natie is de mens die hem vreest en rechtvaardigheid beoefent, aanvaardbaar voor hem” (Handelingen 10:34, 35). Rechtvaardig gezinde personen in alle natiën leren thans de bijbel kennen en gaan de ware „God die vrede geeft” aanbidden, de Schepper van de gehele mensheid. — Romeinen 16:20; Handelingen 17:24-27.

Sommige mensen wijzen op de verdeeldheid en de huichelarij in de religies van de christenheid, terwijl deze toch beweren dat ze de bijbel volgen. Zij zeggen ook: ’Hoe kan ik in de God van de bijbel geloven wanneer de natiën die de bijbel bezitten er koortsachtig mee bezig zijn kernwapens op te slaan?’ In werkelijkheid is het zo dat, terwijl de bijbel altijd waar blijft, de natiën van de christenheid even ver van het bijbelse christendom verwijderd zijn geraakt als de noordpool van de zuidpool af staat. Dat ze het christendom belijden, is huichelachtig. Ze hebben de bijbel, maar gehoorzamen de daarin opgetekende leringen niet. De Amerikaanse president die bevel gaf de eerste atoombom boven Hirosjima af te werpen, riep eens uit: „O, hadden wij maar een Jesaja of een Sint-Paulus!” — om de mensen in deze wereldcrisis leiding te geven. Had hij met de bijbelse Jesaja ingestemd, dan zou hij nooit een atoombom hebben afgeworpen, want Jesaja was er een voorstander van ’zwaarden tot ploegscharen te smeden en speren tot snoeimessen’. Bovendien verklaarde de Paulus uit de bijbel: „Wij voeren geen oorlog overeenkomstig datgene wat wij zijn in het vlees. Want de wapenen van onze oorlogvoering zijn niet vleselijk” (Jesaja 2:4; 2 Korinthiërs 10:3, 4). In plaats van de wijze raad uit de bijbel op te volgen, zijn de natiën der christenheid echter in een aan zelfmoord grenzende bewapeningswedloop verwikkeld geraakt. Elke bewering van hun zijde dat ze christenen zijn die de bijbel gehoorzamen, is vals. Daar ze Gods wil niet ten uitvoer brengen, wacht hun zijn oordeel. — Matthéüs 7:18-23; Zefanja 1:17, 18.

Copyright © 2005 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania. All rights reserved.
Atomic explosion: U.S. National Archives photo
|
|